Helgers + Raafs Advocaten

Afghanistan

Deze blog richt zich op een uitspraak van de Raad van State Afdeling Bestuursrechtspraak. [1] De uitspraak gaat over de Hazara, een etnische minderheid in Afghanistan. De vraag die in deze zaak centraal staat is of het behoren tot de Hazara automatisch zou moeten leiden tot een gegronde vrees voor vervolgen, dan wel tot een reëel risico op onmenselijke behandeling en dus tot verlening van een verblijfsvergunning asiel in Nederland.

De feiten

Recentelijk stond ons kantoor een vreemdeling bij die betoogde een Hazara te zijn en zich op het standpunt stelde dat uit de door hem aangeleverde informatie volgde dat de Hazara asielrechtelijke bescherming behoeft. Ook betoogde de vreemdeling, dat het zijn van een Hazara, een afzonderlijke factor is die moet worden meegewogen bij de beoordeling van zijn asielrelaas. De vreemdeling was van mening dat de staatssecretaris conform zijn eigen beleid niet alleen had moeten kijken naar hoeveel Hazara in de wijk Dasht-e Barchi in Kabul wonen, maar ook had moeten beoordelen of deze Hazara feitelijk kwetsbaar zijn.

Daarbij wees de vreemdeling op diverse bronnen en landeninformatie waaruit volgt dat Hazara in grote delen van Afghanistan worden gediscrimineerd en te maken hebben met aanvallen, aanslagen en, als gevolg daarvan, ontheemding.

Uitspraak van de rechtbank

De rechtbank is meegegaan in hetgeen de staatssecretaris heeft aangebracht. De staatssecretaris zou zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat de Hazara als groep in Afghanistan geen reëel risico lopen op vervolging of een onmenselijke behandeling. Zij worden niet als groep vervolgd en zij vormen ook geen zogenoemde Salah Sheekh-groep, zoals bedoeld in het arrest van het EHRM van 11 januari 2007. Dat wil zeggen een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. De situatie in Afghanistan is voor Hazara niet zodanig slecht, dat Hazara uit Afghanistan, alleen omdat zij Hazara zijn, een verblijfsvergunning asiel moet worden verleend.

Hoger beroep

Dat het enkel behoren tot de Hazara niet automatisch leidt tot een gegronde vrees voor vervolging, dan wel tot een reëel risico op onmenselijke behandeling en dus tot verlening van een verblijfsvergunning asiel, betekent echter niet dat aan het behoren tot die groep asielrechtelijk geen betekenis moet worden gehecht. De vreemdeling betoogt in dit verband dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij de Hazara in zijn landgebonden asielbeleid in de Vc 2000 niet aanmerkt als risicogroep in de zin van paragraaf C2/3.2 van de Vc 2000, dan wel als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van paragraaf C2/3.3. van de Vc 2000. Vreemdelingen uit zulke groepen kunnen namelijk al met geringe individuele indicaties aannemelijk maken dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben, dan wel een reëel risico op onmenselijke behandeling lopen.

Zitting bij de Afdeling Raad van State

Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris toegelicht dat het niet nodig is om Hazara in zijn beleid apart te benoemen als een te beschermen groep, omdat zij in bijna alle gevallen ook vallen onder een van de wel in het beleid opgenomen risicogroepen en kwetsbare minderheidsgroepen. Hazara zijn immers vaak, afhankelijk van het gebied in Afghanistan waar zij vandaan komen, personen die actief zijn in de politiek, journalistiek of op het gebied van mensenrechten, en worden over het algemeen beschouwd als loyaal aan de Afghaanse regering, als zij daaraan niet al zelf steun bieden. Verder kunnen Hazara zich onder omstandigheden beroepen op het behoren tot een etnische of religieuze minderheid in een bepaalde plaats of een bepaald gebied die ernstige problemen ondervindt. Het leidt dan ook niet tot aanvullende bescherming van Hazara als hij hen in zijn beleid apart benoemt als te beschermen groep.

Oordeel afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State

De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep van de vreemdeling gegrond is. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De staatssecretaris kan niet zonder nadere motivering zich op het standpunt stellen dat het toebehoren tot de Hazara in Afghanistan geen relevante factor is die afzonderlijk en kenbaar moet worden meegewogen bij de beoordeling van individuele asielrelazen. Het feit dat individuele Hazara-asielzoekers volgens de staatssecretaris geregeld ook zijn in te delen in één van de wel in het beleid opgenomen risicogroepen en kwetsbare minderheidsgroepen en dit tot vergunningsverlening kan leiden, rechtvaardigt een motivering ter zake. Dat de Hazara in bepaalde gebieden, zoals de wijk, Dasht-e-Barchi in Kabul, niet in de minderheid zijn, sluit bovendien niet uit dat zij daar een risicogroep of een kwetsbare minderheidsgroep als bedoeld in de VC 2000 vormen.

De Afdeling oordeelt dat de rechtbank de staatssecretaris ten onrechte is gevolgd in zijn standpunt over de positie van Hazara in Afghanistan. Anders dan de rechtbank en de staatssecretaris, is de Afdeling van oordeel dat er redenen zijn om aan te nemen dat de situatie in Afghanistan voor Hazara nu onveiliger is dan in het verleden. Uit de nu beschikbare informatie blijkt dat Hazara om allerlei redenen problemen kunnen krijgen met verschillende strijdende groepen in Afghanistan. Dat kan zijn omdat hun een bepaald geloof en mede daarom een bepaalde politieke opvatting wordt toegedicht, maar bijvoorbeeld ook door een bepaalde sociaal-economische positie. Volgens de Afdeling is de situatie voor Hazara in Afghanistan niet zo slecht dat het enkel zijn van Hazara betekent dat een vreemdeling een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een reëel risico op onmenselijke behandeling loopt. De staatssecretaris hoeft dus niet elke Hazara uit Afghanistan zonder meer een asielvergunning te verlenen. Maar de situatie in Afghanistan voor Hazara is wel zo onveilig geworden dat de staatssecretaris opnieuw moet bezien en duidelijk maken hoe hij het behoren tot de Hazarabevolkingsgroep betrekt bij de beoordeling van individuele asielrelazen. Dit gelet op de risico’s die zij in Afghanistan om verschillende redenen lopen.

Conclusie

Als een Afghaanse vluchteling, die behoort tot de Hazarabevolkingsgroep, een asielaanvraag in Nederland indient, betekent het niet zonder meer dat de staatssecretaris deze asielaanvraag ook moet verlenen. Wat de staatssecretaris wel moet doen is de situatie van de vluchteling bekijken en het behoren tot de Hazarabevolkingsgroep betrekken bij de beoordeling van individuele asielrelazen. Wanneer de staatssecretaris vervolgens alsnog besluit om de asielaanvraag af te wijzen, dan moet hij dit duidelijk, voldoende motiveren.

Geschreven door:

mr. J.P. van Mulken

Advocaat

 

[1] ABRvS, ECLI:NL:RVS:2019:4202, 18 december 2019.